 |
Broeders en zusters…….
Zuster Hanneke heeft de eerste lezing gehouden over karma via vader en moeder, broer Jaap de tweede over karma door de generaties en het is vanavond aan mij om het te hebben over broers en zussen en de patronen daarbij. De mogelijkheden en de struikelblokken die bijna iedereen bij broers en zussen tegenkomt en hoe zich dat vertaalt in het leven, in het bestaan. Feitelijk hebben wij alle drie gesproken rond de tekst waar Hanneke het de eerste keer over had: de tekst uit Exodus uit de Tien Geboden. Deze tekst - Hanneke heeft hem aangestipt, Jaap heeft ernaar verwezen en ik wil hem nu voorlezen – is ook de basis voor mijn lezing. Die tekst begint met het derde het tweede gebod, dat hangt van de telling af:
Maak geen gesneden beeld noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde is, noch van wat in de wateren onder de aarde is. Werp je daarvoor niet ter aarde en dien hen niet. Want Ik de Eeuwige je God ben een alles opeisende God die de verkeerdheid der ouders bezoekt bij de kinderen tot het derde en vierde geslacht, voor zover zij mij haten, maar die liefde bewijst tot in het duizendste geslacht aan hen die mij liefhebben en zich aan mijn voorschriften houden.
Deze tekst is de harde kern van onze gedachten over karma en hoe dat zich voortplant; van ouders naar kinderen, naar kleinkinderen enzovoorts. In deze tekst wordt volgens mij aangegeven dat de grootste vergissing of verkeerdheid die een mens kan maken is, een gesneden beeld te maken. Om een vastomlijnde voorstelling te maken, om de werkelijkheid in één systeem te willen vatten, om een concept heilig te verklaren, om een verhouding tot een ander mens te omlijnen en heilig te verklaren, om van een ander mens God te maken, om wie dan ook tot eeuwigheid uit te roepen. Het maken van een gesneden beeld van iets boven, op, of onder de aarde, wil in de taal van de bijbel zeggen dat het erom gaat dat je je geen enkele goddelijke voorstelling maakt, dat je niets tot je privé God uitroept. Dat is een radicale boodschap, een hele andere boodschap die ik daarin herken dan de kerken daar in het algemeen in hebben herkend. Er wordt gezegd: werp je daarvoor niet ter aarde en dien hen niet.
Het gaat er dus om dat de mens de neiging heeft om een voorstelling te maken, een beeld te maken van de onbenoembare werkelijkheid en hij zich daarvoor vervolgens ter aarde wil werpen. Dat is natuurlijk een eigenaardige eigenschap van de mens, om eerst iets hoog te maken, een projectie van zichzelf eigenlijk, en zich vervolgens daarvoor te buigen en neer te werpen. Het is een krankzinnige eigenschap, maar iedere menselijke persoonlijkheid is geneigd om dat te doen. Werp je daarvoor niet ter aarde en dien hen niet en dan volgt het: want Ik de Eeuwige - daar staat de Eeuwige, dat is de onuitsprekelijke naam zoals die in de Thora wordt genoemd - Ik de Eeuwige je God ben een alles opeisende God. Met andere woorden: er is maar één werkelijkheid waarvoor je je kunt buigen en dat is de werkelijkheid die niet met een naam of met een vorm te bekleden is. Er staat de onuitsprekelijke naam, wat vertaald wordt met de Eeuwige. Dat is het enige waarvoor je je kunt buigen. Je kunt je niet buigen voor iets dat je kunt omschrijven, je kunt je alleen maar buigen voor datgene waar je geen vat op hebt, wat je je niet kunt toe-eigenen met je denken en je voorstellingen. De Eeuwige, de alles opeisende, wenst alle aandacht van de mens, wenst een totale toewijding, een totale dienstbaarheid. En dan volgt het: die de verkeerdheid van de ouders bezoekt op de kinderen - als het ware toedient aan de kinderen - tot in het derde en vierde geslacht.
Hanneke zei dat ook zo treffend: je kunt het zien bij je kinderen, bij je kleinkinderen en bij je achterkleinkinderen en als je helemaal een matriarch of patriarch bent geworden, kun je het nog zien bij je achter-achterkleinkinderen. Daar zie je datgene dat jij hebt aangehangen, die vorm, dat concept waarmee jij je geïdentificeerd hebt, waarin jij zei: zo zit het. Dat zie je op een bepaalde manier voortgeplant door de generaties, voor zover ze mij haten. En daar zit het bevrijdende woord, want anders zou dit een gruwelijke, noodzakelijke wet zijn, waarin geen vrijheid is en waarin geen relatie bestaat; dan zou het dus echt een ijzeren wet van karma zijn. Maar karma - en daar ging Jaap zo goed op in - is een uitdaging; het is datgene dat in een bepaalde vorm in een bepaalde familie gesteld wordt en aangeboden als een verleiding, als de weg van de minste weerstand. Op het moment dat je niet bereid bent om werkelijk het leven te ondergaan, om werkelijk ook ónder te gaan in het leven, op het moment dat je je daartegen verzet en toch je eigen conceptensysteem wilt blijven volgen, je eigen weelde wil aanbidden, op dat moment zul je bij voorkeur vallen in de valkuil die door de voorouderen gegraven is. Dan valt de knikker in dát gaatje dat dan klaarligt; althans zo zie ik het zinnetje: voor zover ze mij haten. Daar waar je het leven lief hebt wordt die stroom niet op die manier doorgezet, maar vindt er iets anders plaats: een omzetting, een ommekeer tot in het duizendste geslacht.
Op dat moment in het Jodendom bestond de wereld misschien drieduizend jaar; dan betekent het duizendste geslacht de eeuwigheid. Vier geslachten zijn is te overzien, dat kan de familie overzien. Het duizendste geslacht betekent dat je, wanneer je de Eeuwige, het Leven lief hebt en niet buigt voor welk aangeboden conceptuele stelsel of voor welke beelden dan ook, je liefde betuigt en die liefde heeft een effect tot in de eeuwigheid.
Op het moment dat je wél in het knikkerpotje of in de valkuil van de familie valt - je identificeert met de patronen die iedere familie aanbiedt ter verdediging tegen het leven dat onhanteerbaar is, als bescherming schijnbaar tegen de gevaren van andere mensen, van ziekte en dood, tegen de gevaren van het leven, van de buren - op dat moment vind je in de schoot van de familie een bepaalde veiligheid en dan word je, zoals ik het noem, neurotisch. Neurose is dat jouw individualiteit, het eigene waarmee jij hier op aarde bent gekomen, geen vorm meer vindt; geen plek. Dat dat eigene alleen nog kan rouleren via de patronen van de familie en zich alleen maar daar doorheen kan uitdrukken.
Als ik dat zeg praat ik niet alleen als iemand die beschouwend is, maar ik praat uit eigen ervaring. Logisch, ik ben ook geboren en in een familie met vader en moeder en een broer opgegroeid. Ik ben ook ingezogen in die familie en ik kan zien dat het ingezogen zijn voortkwam uit levensangst van mij. Niet van mijn familie, maar van mij; levensangst die ik noem, van mij uit: haat tegen de Eeuwige. Het is die levensangst waarmee ik me gaandeweg geassocieerd heb in de puberteit en feitelijk ver daarvoor al; geïdentificeerd met patronen die mij geboden werden vanuit de vier grootouders, uitmondend in mijn vader en mijn moeder. Mijn broer en ik schikten ons in die patronen, waarbij mijn broer er meer in meeging en ik meer inging tegen de patronen. Maar feitelijk maakt dat niets uit, want of je nou voor iets uitrent of ernaar toe rent, in beide gevallen ben je puur afhankelijk. Mijn broer en ik hadden een soort taakverdeling opgebouwd: hij rende ernaar toe en ik ging weg. En ik leek revolutionair en hij leek afhankelijk, maar we waren alle twee gebonden. Gaandeweg, zo toen ik de puberteit uitkwam rond mijn twintigste, kreeg ik conflicten. Ik werd van school gegooid, ging werken, werd min of meer crimineel en kwam in allerlei vervelende parketten terecht, zoals mijn familie dat helemaal niet wenste. Ik werd zoals je dat noemt het zwarte schaap van de familie, maar vergis je niet: een zwart schaap past precies in de familie. Als het zwarte schaap. Want er zijn zes witte schapen en één zwart schaap. Waar zes witte schapen zijn, moet een zwart schaap zijn. Net als je de zaterdag nodig hebt voor de zondag.
Terwijl ik mij losmaakte en meende los te maken uit de familie, maar me er steeds verder in draaide, kwam ik steeds meer ook persoonlijk in de knel. Ik heb het grote geluk mogen smaken dat ik iemand ontmoette die mij werkelijk hielp, die mij tegemoet kwam. Een heel wijze man, de man die ik in mijn boeken benoem als de leermeester van mijn leven: Reinout Fentener van Vlissingen. Hij zag, door alle rimram heen, mijn wezenlijkheid en die sprak hij aan. Vanaf het eerste moment dat ik hem ontmoette sprak hij mij aan en maakte hij mij beschaamd. Hij zette mij niet te kakken, neen, hij maakte mij beschaamd.....
|